Vorm en inhoud

Dat thuis zijn niet altijd vervelend hoeft te zijn heeft Mozart ons geleerd. Tonaal gezien was hij redelijk honkvast. Als hij eenmaal in die toonsoort C toefde, dan zouden we dat ook weten. Hij liep wel eens de deur uit, wandelde door zijn tuintje, ging een straatje om en groette een vriendelijke voorbijganger, maar dat was het ook. Hoewel, hij ging ook wel naar een naburige plaats, waar zijn liefje woonde. Daarvoor moest hij van C naar G, en bleef daar dan een tijdje. Dat leidde natuurlijk wel tot een groot innerlijk conflict, die twee plaatsen, en ook met haar moest hij tot een deal zien te komen, wat niet zonder slag of stoot verliep. Alles kwam echter goed, en samen reisden ze terug naar C, en leefden daar lang en gelukkig. Een eenvoudig verhaaltje uit de bouquetreeks, maar het is wel een prototype geworden – inderdaad in Mozarts tijd ontstaan – waarvan komponisten ook na hem moeilijk afstand konden nemen. In de muziektheorie is dat procédé bekend geworden als ‘hoofdvorm’ (ook wel: ‘sonatevorm’). Het gaat hier dan niet over een heel stuk, symfonie of concert, maar (vooral) over het eerste deel van een dergelijke compositie.
Het gekke is dat u zich dit allemaal nauwelijks realiseert als u in de concertzaal zit. U hoort zo’n stuk, kent het vaak allang, maar het gaat vooral aangenaam aan u voorbij, of onaangenaam, maar dan lonkt er altijd nog de koffiepauze. Als Mozart dat stuk in C was beginnen, maar in Cis was geeindigd, had u niets in de gaten gehad. Het is echter moeilijk na te gaan of de sterke opbouw van zo’n kompositie u toch niet onbewust in de greep houdt, maar het is ook denkbaar dat het vooral voor de komponist een mogelijkheid was om althans een vorm te geven aan wat eigenlijk het belangrijkste is voor de luisteraar: een interessante verteltrant van een boeiende spreker, liefst een vertrouwde stem die hoort bij een hoofd dat je al kent. Dat dominees ons nauwelijks enig verhaal te bieden hebben stoort ons niet wanneer ze maar in een overzichtelijk ritme niet al te verwarrende clichés uitstoten. Waar het om gaat is esthetisch aanmerkelijk minder belangrijk dan de manier waarop het gezegd wordt. De populariteit van de meeste arias van de 19e eeuw berustte op de virtuositeit van de zangers en hun opmerkelijke sportieve prestaties, de liedjes zelf waren van een treurige inhoudsloosheid, en wat we nu nog geweldig vinden aan Verdi’s ‘La Traviata’ zal zijn tijdgenoten vermoedelijk grotendeels zijn ontgaan. Nu horen we door alles heen de algemeen menselijke emoties, terwijl we wel steeds het spoor bijster raken bij al macho’s, met wie ze het deden en waarom (hoewel dat laatste meestal wel duidelijk was).
Zo is het ook met die ‘sonatevorm’. Die vorm gaat aan ons voorbij, maar wel worden we getroffen door allerlei wendingen die ons herinneren aan wat we emotioneel in onszelf hebben opgeborgen. Als die dominee zich erg opwindt zien we onze eigen vader weer opdoemen als ie ons bestraffend toesprak, de rest geloven we wel. En ook zo’n sonatevorm nemen we er wel bij, ook al weten we dat die bestaat uit een ‘expositie’ (Mozart in C en zijn minnares in G), een ‘doorwerking’ met al die verwikkelingen, en een ‘reprise’ waarbij ze ten slotte bij hem thuis zijn in C. Hoelang vinden ze het trouwens nog leuk om thuis te blijven? Mozart begon meestal zo gauw mogelijk aan een volgende compositie en Constance zal zo haar twijfels hebben gehad over de ommetjes die hij in Wenen maakte.