Samenklanken

De samenklanken, akkoorden, die het meest aangenaam en vertrouwd klinken lijken enigszins op een vork met drie of vier tanden, namelijk opgebouwd uit twee of drie tertsen naast elkaar met iets (in het geval van tanden: niets) er tussenin. In cijfers: 1-3-5-7 (grondtoon – terts – kwint – septiem) in  noten bv. a-c-e-g. De gaten ertussen (dus 2, 4 en 6) zijn secundes, die een stuk dissonanter klinken. Hoe komt dat? Daar komen we zo op. Eerst iets anders.

Wat voor de hand zou liggen is dat van de zeven witte toetsen (a-b-c-d-e-f-g) de a de belangrijkste zou zijn. Waarom dat niet zo is een ingewikkeld verhaal dat hoort tot de vele mysteries van de muziektraditie, want niet de a maar de c is de belangrijkste toon geworden (what’s in a name?), want de ‘toonladder’ van c (c-d-e-f-g-a-b-c) is de enige die op de witte toetsen te spelen is (want voor de ladder vanuit g bv. zou je een zwarte toets nodig hebben). Een piano is dus in feite een c-instrument en daarom staan dan componisten (die bijna altijd pianisten zijn, en ook mannen trouwens, maar dit terzijde) allemaal een beetje in c. Hoe verder componisten zich van die c verwijderden hoe emotioneler zij het ervoeren, en vooral in de Romantiek schreef men graag in Des of Gis, terwijl eigenlijk geen hond dat verschil kan horen. Suggestie doet veel.

Dit alles om terug te gaan naar die akkoorden en daarmee naar wat we dan maar het ‘natuurakkoord’ zullen noemen: c-e-g-bes. Ook weer even terzijde: een toon onderscheidt zich van andere geluiden doordat ze een regelmatige trilling heeft (bv. 200 per seconde). Dat andere tonen met die toon consoneren komt doordat die een trillingsgetal hebben dat met die toon een simpele getalsverhouding heeft. De belangrijkste zijn: kwint (3:2), terts (5:4) en septiem (7:4) en, merkwaardigerwijs (of dus juist niet) zijn dat de tonen die meeklinken wanneer we en lage c (of welke toon dan ook) aanslaan of strijken op een cello. Deze ‘boventonen’ hoor je maar nauwelijks, maar het zijn inderdaad die e, g en bes die klinken. Daardoor  zijn dan ook de (‘grote’) drieklank (c-e-g) en  het (‘dominant’) septiemakkoord (c-e-g-bes) de belangrijkste bouwstenen van onze muziek geworden. Geen Mozart zonder drieklanken, geen bluesje zonder septiemakkoord. In feite zijn alle samenklanken een lichte vertekening (dialect als je het weer met woorden wil vergelijken) van die twee natuurakkoorden. We zouden het tonale samenklanken kunnen noemen, en zelfs de meeste, inmiddels vertrouwde, componisten van de 20e eeuw werkten ermee, en dan denken we aan Debussy of Stravinsky, Bartok of Sjostakovitsj.

Het begrip tonaliteit heeft ook nog te maken met de onderlinge relatie tussen die akkoorden, maar daar moeten we het een andere keer maar eens over hebben.