Groot of klein

Dat een symfonie in ‘C-groot’ of C-klein’ staat, laat iedere Radio 4-luisteraar zonder enig verzet over zich heen komen. Of men het eigenlijk begrijpt is een tweede.
Hoewel? Majeur is toch vrolijk en mineur droevig? Dat is een kwalificatie die nog redelijk wordt geaccepteerd. Maar in de muziektheorie is er ook sprake van ‘toongeslachten’ en – u voelt ‘m al aankomen – welk geslacht wordt er dan met majeur resp. mineur wordt gerelateerd? Zo maakt diezelfde – meestal op Duits-romantische leest geschoeide – theorie ook onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke thema’s (=melodieën). Nou wordt iemand die een fijn oog heeft voor het verschil tussen man en vrouw al gauw als ‘fallocraat’ afgeschilderd, maar die verschillen zijn er al miljoenen jaren, en zo nu en dan zijn er korte stromingen waarbinnen het als incorrect wordt beschouwd om daar conclusies uit te trekken. In zo’n periode leven wij nu.
Maar ter zake. Wat betekent dat ‘toongeslacht’, waar heeft majeur en mineur technisch mee te maken? Het antwoord luidt: met de terts; zo’n symfonie staat in een grote of kleine terts. Eerst nog even wat basiskennis: goed klinkende samenklanken (intervallen) hebben een eenvoudige verhouding in trillingsgetallen (voor de duidelijkheid, een trillingsgetal geeft de toonhoogte aan; zo heeft de a van de hobo waarop een orkest stemt 440 trillingen per secunde). De mooiste is dan uiteraard het octaaf met de verhouding 2 : (‘staat tot’)1, maar die is dan weer zo mooi, dat er geen wezenlijk verschil is: twee c’s met een octaaf verschil klinken als dezelfde toon, maar dan op verschillende hoogte. Veel belangrijker, sterker nog: de basis van onze muziek, is de kwint met verhouding 3:2 (we noemen hem maar even c-g). De g is dan de belangrijkste natuurlijke zachtjes meeklinkende boventoon van de c. Een g in de buurt van een c, of tegelijkertijd ermee, maakt die c tot een sterke persoon. Dan hebben we dus een persoon, maar nog geen geslacht, en dát wordt bepaald door die kwint onder te verdelen in twee verschillende soorten tertsen: een grote (5:4) en een kleine (6:5). Samen vormen zij een drieklank. Ligt de grote onder en de kleine boven, dan wordt het een grote drieklank (denk aan het kinderliedje ‘Hoedje van papier’, dat begint met c-e-g).
Een man en een vrouw? Een grote drieklank klinkt aanmerkelijk krachtiger, en het is aan u wat u heden ten dage nog als het sterke cq. zwakke geslacht wil beschouwen. Hetgeen nog ingewikkelder wordt wanneer we ook de aanvankelijke associatie vrolijk/droevig erover heen leggen, het verschil wat je ervaart wanneer je datzelfde ‘Hoedje’ in mineur zingt (dat wordt dan c-es-g; eerst de kleine terts).
Maar wat in de natuur klinkt is de grote drieklank. Tibetaanse monniken kunnen met hun boventoongezangen eindeloos mediteren met deze natuurtonen, die ontstaan door één toon op verschillende wijzen met hun stembanden te manipuleren. En echt: u zult nooit een kleine drieklank te horen krijgen. De tegenstelling tussen beide drieklanken is onze muziekliteratuur veel gebruikt voor alle clair-obscur-effecten die men zich psychologisch kan voorstellen, maar het tegelijkertijd doen klinken van een grote en kleine terts werd pas in het begin van de 20e eeuw aangedurfd door componisten als Ravel en Stravinsky, en spoedig daarna in de jazz. Die verstrengeling en botsing van twee tegenover-elkaar gestelden werd daarmee symbool voor zowel sexualiteit als oorlog, die beide in die eeuw obsessief werden.