DNA

In het halfduister zien we een gestalte opdoemen, slechts contouren, maar we weten meteen: dat is onze buurman. We lopen op de markt, geroezemoes van stemmen. Eén stem halen we er direct uit: de vrouw van de slager. Hoe komt dat, wat maakt die mensen zo uniek?

Echte liefhebbers van het klassieke repertoire, met duizenden CD’s, zijn in staat in twee of drie seconden te onderscheiden of iets van Dvorak of Fauré is, van Haydn of Mahler. Hoe kan dat? Die CD-bezitters moeten natuurlijk een betrekkelijk onverzadigbaar-brede nieuwsgierigheid hebben, dan hebben we het dus niet over onze onvolprezen Bach-specialist Ton Koopman, die onlangs in een tv-programma toevallig voor het eerst met de Sacre du Printemps van Stravinsky werd gecon-fronteerd, en het – en dat siert hem! – een aardig stuk vond. Hoe kan dát trouwens? Maar daar gaat het nu niet over. Hoe kan iemand – en Koopman dus niet – binnen enkele sekonden een komponist herkennen, ook wanneer hij dat ene werk nog nooit heeft gehoord? Iedere componist moet wel een flink aantal cliché’s in zijn idioom besloten hebben, waarvan in ieder geval enkele binnen een of twee maten tot klinken komen. Het zou aardig zijn daar een boekje over te schrijven, en dat zou best goed verkoopbaar zijn, ware het niet dat slechts diepgaand muziektechnisch onderzoek tot enig resultaat kan leiden, en zelfs de meest fanatieke muziekliefhebbers kunnen vaak nauwelijks noten lezen, laat staan de gecompliceerde samenhang ertussen begrijpen. Een Don Juan is nog geen gynaecoloog. Toch zou zo’n onderzoek er moeten komen. Er zijn voor mallere dingen subsidies verstrekt, laten we wel wezen. Trouwens, waarom zou je overal geld voor moeten krijgen, sommige dingen lonen zichzelf wel.

Die clichés waar het over ging zijn speciale akkoorden, melodische wen-dingen, tonale verbindingen, ritmische constructies, een oneindig aantal varianten waar de ene komponist net iets anders mee omgaat dan de andere. Het kan een enkel gebaar zijn dat steeds weer terugkeert, een plotselinge gedachtensprong, of wat dan ook. De vraag rijst daarbij of we van de persoonlijke trekjes van die komponisten zijn gaan houden omdat we die stukken zo mooi vinden, of dat die persoonlijke stijl juist de kern van de kwaliteit is? Sterker nog: Bruckner, César Franck of Frank Martin, zij komponeerden al een half leven voordat zij vrij plotseling een zeer persoonlijk hand-schrift ontwikkelden, en pas toen onstonden hun geniale werken. Misschien werd juist de bewustwording van een zeer eigen uitdrukkingswijze hun belangrijkste inspiratiebron.

De muzikale vingerafdrukken van Salieri zijn wellicht even onverwisselbaar als die van Mozart, die hij – zoals de overlevering wil – uit jaloezie vergiftigde. Maar  zijn vingerafdrukken zijn voor ons oninteressant geworden, omdat zijn muziek ons überhaupt geen moer meer interesseert. Om die vraag min of meer onbevooroordeeld te beantwoorden zouden we het werk van Salieri net zo diepgaand moeten analyseren als dat van Mozart, maar wie heeft daar dan weer zin in?

Dankzij de radio, die bij gebrek aan beter, uit verveling, zelfs de grootste onzin uit het verleden nog tevoorschijn tovert, ontstaat wel enig overzicht, en lijken er twee DNA’s te zijn: dat wat al zijn tijdgenoten, inclusief Mozart, gemeenschappelijk hebben, plus een ander DNA, dat alleen Mozart heeft. Het is echter niet uitgesloten dat we de genialiteit van dat soort meesters enigszins zijn gaan overwaarderen door de voortdurende herhaling – tot het krankzinnige toe – van hun werk. Herhaling is verslavend, en dat we de schoonheid van onze eigen geliefde schromelijk over-schatten behoedt ons in ieder geval voor riskante fantasieën. Enige nieuwsgierigheid blijft echter geboden; laat Ton Koopman dat in zijn zak steken.