De Dissonant

Het merkwaardige is, dat mensen, gevraagd naar de mooiste momenten in de muziek, bijna altijd een dissonante situatie noemen, denk aan de wijze waarop het slotakkoord van de Mattheus Passie wordt uitgesteld. Muziek is kennelijk veredeld leedvermaak. Nou loopt het met die dissonant meestal ook wel goed af. In de Renaissance was zij schaars, de kerk hield het rustig. De dissonant moest worden voorbereid – je moest de narigheid zien aankomen – en daarna snel oplossen in een consonant. Wat later kwam de voorhouding: je werd in één klap voor de dissonant geplaatst en de oplossing kwam snel, maar liet ook vaak op zich wachten. Bach was daar een meester in. Zijn muziek is misschien wel de meest dissonante die ooit geschreven is, en dat verklaart voor een gedeelte zijn populariteit. Want via inge-wikkelde omwegen komt alles toch goed. Het begrip dissonant is natuurlijk – zoas alles – betrekkelijk. Het meest consonant zijn vooral samenklanken die bestaan uit simpele rekenkundige getalsverhoudingen (in trillingsgetallen: octaaf 2:1, kwint 3:2, (grote) terts 5:4 etc.). Hoe grilliger de verhouding des te dissonanter de klank.

We zijn in de loop der tijden wel een stuk toleranter geworden ten opzichte van dissonanten geworden, en  ervaren ze bij Bartok anders dan bij Mozart. Maar een kwint blijft een kwint; je kunt je er tegen afzetten, maar ontkennen is zinoos. Op dat punt scheidden een eeuw geleden de wegen binnen het componisten-gilde. Een deel ging de uitdaging – het onder druk zetten van een consonant – steeds verder aan (Ravel, Stravinsky), maar er ontstond daarnaast een beweging (vooral aan Arnold Schönberg te danken) die zo’n kwint wél wilde ontkennen, en de dissonant tot doel maakte in plaats van tot middel. We spreken dan van ‘atonaliteit’, want tonaliteit en consonantie zijn, ook in hun betrekkelijkheid, in feite broertje en zusje. Schönbergs idee is nooit een groot succes geworden, (hoewel genieën vaak van de gekste dingen nog wat kunnen maken, Webern bijvoorbeeld, of de oude Stravinsky), want uiteindelijk hopen we toch steeds weer dat aan alle narigheid een eind komt, al is het tegen beter weten in.

Men zou in de ‘emancipatie’ van de dissonant een historische weerslag kunnen zien van maatschappelijke ontwikkelingen en de psychologische reactie daarop, maar dat valt nog niet mee. Willen we, als de tijden slecht zijn, ook sombere muziek horen bij wijze van herkenning, of willen we dan juist aangename muziek horen als troost? Voer voor psychologen, die zoals gewoonlijk geen oplossing kunnen bieden. Want voor velen is de gemiddeld grote consonantie van Händel of Mendelssohn een oase van rust en regelmaat die men in zijn eigen leven tevergeefs zoekt. Dat geldt ook voor veel van de muziek die nu weer ‘in’ is (Pärt, minimal, ten Holt). Maar daarnaast zal er de populariteit blijven van componisten als Mahler en Shostakowitsch, en de identificatie met de worstelende geest die pas na ruim een uur in de grote drieklank zijn ontspannning vindt. Dat muziek gestileerd leedvermaak is, zoals kranten dat op een ander niveau zijn, is dus maar een halve waarheid.