Afschaffen die Solfège

Het begrip solfège bestaat inmiddels zo’n 1000 jaar, en is ongeveer zo oud als de geschiedenis van het Europees componeren. De naam ontstond uit een ezels-bruggetje, om melodieën makkelijk te memoreren, vergelijkbaar –andersom– zoals we soms proberen een telefoonnummer te onthouden door een melodisch gegeven aan de volgorde der cijfers te koppelen. Solfège is gehoortraining, het is een discipline, en een discipline is het isoleren van een probleem. De vraag is dus wat het probleem is. Het solfègeonderwijs is op conservatoria een eigen leven gaan leiden, en bij het aannemen van studenten speelt het testen van het gehoor een belangrijke rol naast de selectie op instrumentale vaardigheid. Het is daarom van belang om na te gaan wat precies de betekenis van ‘het gehoor’ is in het leven van een beroepsmusicus.

Een beroepsmusicus moet al spelend, componerend of dirigerend etc. een resultaat bereiken dat een luisteraar zo kan boeien dat deze bereid is hem daarvoor te honoreren. Daarnaast moet hij in staat zijn –als docent– iets van zijn kunnen zó op een amateur over te brengen, dat deze plezier vindt in zijn eigen (wellicht bescheiden) vorderingen. Oren zijn bij muziek even belangrijk als bij verbale communicatie. In beide gevallen gaat het om het uitwisselen van herkenbare symbolen (drieklanken, woorden etc.). Zowel bij taal als bij muziek gebeurt dit spelenderwijs vanaf de eerste jaren van de ontwikkeling. De mate van vaardigheid op dit terrein wordt bij com-municatie eerder aangeduid als (sociale) intelligentie, bij muziek zegt men eerder: ‘hij heeft goede oren’. Er zijn mensen die meer gevoelig zijn voor muziek, andere meer voor taal. Op basis van deze (vaak heel vroege) voorkeur specialiseren ze zich meer in het een dan in het ander. Iemand die steeds meer naar muziek luistert ontwikkelt een steeds verfijnder onderscheidingsvermogen voor auditieve details, hetgeen losstaat   van het feit of hij er zijn beroep van maakt. Een muziekliefhebber die geniet van Tristan und Isolde of Prélude à l’après-midi d’un faune verwerkt moeiteloos inge-wikkelde muzikale processen en hoort of een uitvoering niveau heeft zonder zich maar enigszins bewust te kunnen maken wat zich daarbij voltrekt. Maar datzelfde geldt ook voor het drinken van een glas wijn of de bekoring van de zonsondergang.

Wat moet een beroepsmusicus meer (met zijn oren) kunnen dan die muzikale amateur? Hij moet datgene wat die amateur intuïtief hoort technisch realiseren. Dat is zijn vak, dat veel oefening vereist, waarbij echter de muzikale controle in principe dezelfde zal zijn als die van een critische amateur.

In het algemeen wordt gesteld dat training van het voorstellingsvermogen voor een vakmusicus een belangrijke zaak is. Bij voorbeeld dat het lezen van het notenvoorbeeld alleen al een klankbeeld op moet kunnen roepen zonder het instrument te beroeren. Waarom eigenlijk? Zo vraagt men een student het thema van een sonate al lezend te zingen, en dat is zeker nuttig, maar niet omdat hij de noten dan zonder zijn instrument kan treffen, maar om zich het verband tussen de noten, de eenheid van een frase fysiek bewust te maken. Hij kan net zo goed de melodie eerst spelen en daarna zingen. Solfège moet zijn: het bewust maken van datgene wat hij allang hoorde en daardoor tot zinniger interpretatie komen.

Het herkennen op het gehoor van intervallen of samenklanken (wat is een grote terts, wat is een septiem) heeft op zich weinig nut, wél het zingen ervan en het ervaren van de tonale spanning, omdat dat ook voor een instrumentale uitvoering wel degelijk van belang kan zijn. Zingen is de basis van de muzikale beleving (en dient dan ook zo vroeg mogelijk ieders bezit te worden). Het is belangrijker een melodie die men allang kent op analytische wijze te benaderen dan dat veel moeite wordt geinvesteerd in het al lezend treffen van noten die nog onbekend zijn. De een is daar van nature nou eenmaal beter in dan de ander, en voor degene die er moeite mee heeft kost het vele (onnodige) uren om die vaardigheid enigszins op te voeren. Wat dat betreft is het leerzaam te bedenken dat vaak weinig beduidende componisten moeite-loos zonder instrumentale hulp de meest ingewikkelde partituren kunnen realiseren, terwijl een man als Stravinsky nooit de ‘Sacre’ had kunnen schrijven als zij hem zijn piano hadden afgepakt. Had hij minder goede oren? Had hij meer van blad moeten zingen? Niet voor niets waren (op een enkele uitzondering na) alle componisten behoorlijk toetsenspelers, en het probleem voor diegenen die dat niet zijn en van nature geen sterk voorstellingsvermogen hebben en toch willen componeren, is door de huidige technische (computer-) mogelijkheden grotendeels opgelost.

Wat in het algemeen ook tot solfège wordt gerekend is het trainen van het uitvoeren van ritmes (‘ritme tikken’). Dit is voor een musicus (ook voor amateurs) zeer nuttig, maar heeft met  het gehoor weinig te maken. Het is een uitgespeciali-seerde vorm van van blad spelen, die dan ook beter daarin geïntegreerd kan worden, met analytische begeleiding. Wat ook veel verward wordt met solfège is algemene muziekleer. Men slaat een samenklank aan en stelt vragen als: zing de samenklank gebroken na, wat zijn het voor intervallen en wat is de gangbare titel van de totale samenklank (groot septiemakkord, etc.). Het nut hiervan staat in dramatische verhouding tot de enorme training die hierbij nodig is voor degenen die er moeite mee hebben. Wel van nut is de kennis van de namen van gangbare samenklanken, omdat dat noodzakelijke kennis is bij het analyseren. Maar dit is algemene muziekleer en geen solfège.

Ten slotte, vooral bij (beroeps-)zangers wordt graag het nut van van-blad-zing-training onderstreept. Ook hier geldt: de onvoorstelbare energie en tijd die het de meesten kost om een aria in te studeren zonder instrument kan op vele andere manieren nuttiger worden besteed. Het is dan ook algemeen gangbaar daar een bandje bij te gebruiken. Ook dirigenten hebben gelukkig cd’s om het instuderen van hun partituren te vereenvoudigen, dat scheelt veel tijd.

De huidige bezuinigingen hebben een gedeeltelijk positief effect, men gaat zich steeds meer afvragen of iets werkelijk nut heeft. Het solfègeonderwijs op de conservatoria is vaak al tot één uur per week beperkt. Van de student wordt dan verwacht dat hij thuis de training voortzet. De kans dat hij dat ook doet is zeer klein. Waarschijnlijk zet hij liever wat popmuziek op en probeert dat na te spelen, want hij heeft niet alleen oren, maar ook een instrument.

Datgene wat bij ‘solfège’ min of meer als geïsoleerde gehoorstraining wordt gedoceerd moet vanzelfsprekend worden geïntegreerd in alles wat men op een conservatorium kan leren.