7 + 5 = 12

Voor de hele Europese Literatuur hoef je maar zesentwintig letters te kennen, maar wel een onmetelijke hoeveelheid herkenbare lettersamenstellingen (=woorden), ik meen iets van 10.000, maar bij een intellectueel loopt dat al gauw uit de hand.

Bij muziek is dat een stuk overzichtelijker: twaalf tonen en een stuk of tien herken-bare toonsamenstellingen (=akkoorden). Bovendien: met alleen letters achterelkaar (dus zonder woorden) is er nog geen mededeling, maar met alleen losse tonen achter-ekaar kun je al een melodie maken die iets uitdrukt. En tot ca. 1000 deden ze ook niet veel meer, en dat waren dan volkswijsjes of kerkelijke gezangen (Gregoriaans).

In die tijd waren er trouwens niet eens twaalf tonen maar nog maar zeven. Wie goed naar het klavier van de piano kijkt ziet een patroon dat zich steeds herhaalt: inderdaad van zeven witte toetsen (a b c d e f g), onderbroken worden door de resterende vijf zwarte toetsen, die er pas veel later bijgekomen zijn. Dat herhaalde patroon op een piano zijn steeds diezelfde tonen, maar verschillend in hoogte (dat hoogteverschil is steeds twee- of een aantal keren hoger of lager) zoals een huis, dat we dichterbij zien of verder weg, maar wel hetzelfde blijft, een kwestie van per-spectief.

Zoals gezegd, aanvankelijk werd muziek gemaakt met louter zeven tonen. Dat lijkt weinig, maar met een beetje wiskunde is het aantal verschillende mogelijkheden uit te rekenen en, zeker met toonherhalingen erbij, blijkt die hoeveelheid ontzag-wekkend te zijn. Wat maakt een combinatie ervan dan tot iets wat we als melodie ervaren? Dat is niet simpel, en er zijn talloze boeken (‘melodieleer’) aan gewijd. Belangrijkste is: er moet een richting in zijn, een verborgen rechte lijn, zoiets als de rode draad in een verhaal. Maar die richting moet ook weer niet te voor de hand-liggend zijn, want dan ontstaat een ‘toonladder’. Een componist moet eerst een ‘foutje’ maken om dat daarna weer te kunnen’ herstellen’. Simpel voorbeeld: als we de toon c horen, gevolgd door een d, dan vraagt onze logica daarna om een e, maar een componist kan ons even om de tuin leiden en c  d  f  schrijven, maar wel daarna meteen die e. Mozart deed dit in een laatste (41ste, na die beroemde 40ste) symfonie: c d f e ; de Jupiter-symfonie was geboren.

In feite is muziek niet zo ingewikkeld. We horen de logica (onbewust) vrij snel, het is vooral de notatie die het zo moeilijk maakt. Toch nog maar even, maar dan voor de gevorderden, hoe het er allemaal uitziet:

voorbeeld
 

Zoals we zien is er niet alleen een stijgende rechte lijn, waarin trouwens tot tweemaal toe dat ‘foutje’ wordt gemaakt ( f-e en a-g), maar ook nog eens dezelfde noten, in een kruisende dalende lijn (a-g-f-e-d-c), die nu wél klopt, en daarmee de zaak gladstrijkt. Een wet, zoals in de meest eenvoudige soap: twee verhaallijnen die doorelkaar heenlopen. Wat bij Mozart nog ontbreekt is dat de stijgende lijn wordt afgemaakt: c-d-e-f-g-a-b-c. Neem van me aan: dat komt goed, maar dan zijn we wel tien minuten verder.